maandag 28 november 2011

Diafragma en sluitertijd

Vandaag de absolute basis van de fotografie: diafragma en sluitertijd. Essentieel om te weten voor iedere fotograaf.

Om goed te begrijpen wat een camera doet, eerst de theorie. Een camera vangt met de lens licht dat binnenkomt op de beeldsensor en vertaalt dit in een digitaal beeld. In een lens zit een diafragma, niets anders dan een opening die groter en kleiner gemaakt kan worden. Als deze opening groter is valt er meer licht op de sensor en wordt het beeld lichter. Als de sluiter, denk aan luxaflex die voor de beeldsensor zit,  langer open is geldt hetzelfde: meer licht op de sensor levert een lichter beeld op.
De grootte van de opening van het diafragma noemen we verwarrend genoeg: diafragma. Hoe tijdsduur dat de sluiter openstaat heet sluitertijd en wordt uitgedrukt in seconden.

Nu lijkt het dat je twee middelen hebt om een beeld lichter of donkerder te maken, maar dat is niet zo: diafragma en sluitertijd hebben een verschillende functie, dat is voor een andere keer, maar eenvoudig gezegd moet de camera de sluiter snel genoeg sluiten om het beeld te bevriezen, anders treedt er bewegingsonscherpte op en dat is meestal ongewenst. Een gebouw kan met een lange sluitertijd prima vastgelegd worden, maar de auto's die ervoor langsrijden zullen dan bewogen zijn.

De hoeveelheid licht die wordt doorgelaten wordt uitgedrukt in stops. Een stop meer licht wil zeggen: twee keer zoveel licht wordt doorgelaten. Een stop minder is half zoveel licht.

Eerst sluitertijd:
Met een sluitertijd van 1/100e seconde wordt tweemaal zoveel licht doorgelaten als bij 1/200e seconde want de sluiter staat tweemaal zolang open. Simpel, toch?

Welke sluitertijd je moet kiezen hangt van een paar dingen af. Allereerst je onderwerp: het stilstaande gebouw of een langsrazende auto leveren heel andere waarden op. Maar er is ook nog zoiets als bewegingsonscherpte door de fotograaf. Tenzij je de camera op een statief zet zal deze in je hand altijd trillen. Bij een lange lens (grote zoomlens of telelens) heb je hier meer last van. Vuistregel: de sluitertijd moet gelijk zijn aan 1 gedeeld door de brandpuntsafstand. Bij een 50 mm-lens moet je dus 1/50e seconde kiezen of sneller. Bij een 300 mm lens al 1/300e seconde. Dan heb je dus ook meer licht nodig om dat te compenseren!

Nu diafragma.
Diafragma is moeilijker. Dit heeft te maken met de berekening van de grootte van de opening, maar ik zal niet op de achterliggende wiskunde ingaan, laten we het leuk houden. Er is een reeks die een fotograaf moet kennen, en die is:

1 / 1,4 / 2 / 2,8 / 4 / 5,6 / 8 / 11 / 16 / 22 / 32 / enzovoort.

De lichtgevoeligheid van een lens wordt uitgedrukt met het zogenaamde diafragmagetal (f) en dat is vaak een getal uit bovenstaande reeks, bijvoorbeeld f/5.6.
Een lager getal wil zeggen gevoeliger voor licht. Eén stop lager getal is twee keer zo lichtgevoelig, in dit voorbeeld dus f/4 is 2 keer zo lichtgevoelig als f/5.6.
f/2.8 is 2 keer 2 zo lichtgevoelig, dat is dus 4 keer. Dat is verwarrend omdat 5,6/2,8 2 is en niet 4. Het is echter niet anders.

Een lens met een grotere maximale opening = kleiner f-getal noemen we snel. Standaard voor professionele zoomlenzen (70-200 mm bijvoorbeeld) is 2.8. Een dergelijke lens is 4 keer zo snel als een standaard lens (f5.6) die vaak bij camera's geleverd wordt, de zogenaamde kitlens. Hij is ook een stuk duurder, groter en zwaarder. Naast deze nadelen en de snelheid is een dergelijke lens degelijker gemaakt én optisch veel beter: er treedt minder vertekening op.

Het diafragmagetal wat op een lens vermeld staat geeft de grootste opening van het diafragma aan, in mijn voorbeeld f/5.6, maar je kunt het diafragma ook kleiner maken waardoor het bijvoorbeeld f/8 wordt ook al kan de lens f/5.6 aan. Voor de volledigheid: andere diafragmagetallen zijn ook mogelijk, bijvoorbeeld 1,8 / 3,3 / 4,8 / 6,7 / 7,1 / 9,5 / 13 / 19. Ik noem ze omdat op veel spiegelreflexcamera's deze waarden ingesteld kunnen worden, maar onthoudt ze niet alsjeblieft, onthoudt alleen de reeks hiervoor, die is belangrijk.

Tijd voor wat rekenwerk om er gevoel bij te krijgen: stel, ik maak een opname bij f/8 en 1/100e seconde. Ik bekijk het resultaat achterop mijn camera en het is niet goed: er zit duidelijk bewegingsonscherpte in. Ik besluit te proberen de sluitertijd te halveren, naar 1/200e. Welk diafragma moet ik dan kiezen om dezelfde hoeveelheid licht door te laten? Precies: f5,6.
Ga ik in dit voorbeeld naar 1/400e seconde omdat het beeld bewogen blijft, dan moet het diafragma  naar f/4. Stel dat bij deze waarden (f/4 en 1/400e) het beeld mooi bevroren is, maar het beeld oogt nog wat donker, dan kun je dus niet de sluitertijd verlagen, maar wel het diafragma verder vergroten zodat deze meer licht gaat doorlaten, je zou op f3.3 bij 1/400e uit kunnen komen.

Nu hoor ik sommigen al zeggen: "Ik snap het wel, maar ik stel dat helemaal niet in, dat doet de camera zelf en dat gaat prima!" Dat begrijp ik. Bij 99% van alle compactcamera's kun je dit ook helemaal niet instellen en het gaat meestal goed, gelukkig maar. Bij spiegelreflexcamera's kun je ook op de auto-stand foto's nemen, maar zo'n camera biedt veel meer mogelijkheden. Dan heb ik het met name over de P, S, A en M-stand (bij Nikon, of P, Tv, Av, M bij Canon).

Ik heb het nadrukkelijk niet over een instelling voor macro, portret, landschap, sport, vuurwerk, onderwater, enzovoort. Geen enkele professional gebruikt die en de meeste ervaren amateurs ook niet. Zelf maak ik alle foto's met de P, S, A of M-stand. Geen uitzonderingen. Waarom? Omdat het betere foto's oplevert! En zo moeilijk is het nou ook weer niet, maar je moet je er wel een beetje in verdiepen. Hopelijk helpt dit blog hierbij ;-)

Tot een volgende keer!

Robert van Brug

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen