Posts tonen met het label diafragma. Alle posts tonen
Posts tonen met het label diafragma. Alle posts tonen

woensdag 30 januari 2013

Diffractie

Een objectief is met het diafragma helemaal open (kleinste f-getal) niet op zijn scherpst. Er kan scherpte gewonnen worden door te 'diafragmeren', dat wil zeggen het diafragma te verkleinen (hoger f-getal). Maar boven een bepaalde waarde, vaak f/8 of f/11, loopt de scherpte weer terug. Dit heet diffractie.

TEST

De volgende foto's zijn alle gemaakt vanaf statief met afstandbediening met een Nikon D600 voorzien van 105 mm f/2.8 macrolens op ISO 400. Van boven naar onder heb ik een steeds kleiner diafragma gekozen (groter f-getal).

Vanzelfsprekend heeft het dichtknijpen van het diafragma ook gevolgen voor de sluitertijd en de scherptediepte, maar die laat ik hier buiten beschouwing.

Opstelling

Het onderwerp is een lens die op mijn aanrecht staat:


Er komt wat daglicht van voor en van boven en TL-licht van rechtsboven. Het geselecteerde scherpstelpunt, waar de opname optimaal scherp zou moeten zjn, was op het getal 70 gepositioneerd. Alle opnames zijn in batch verwerkt in Photoshop met exact dezelfde instellingen. Vervolgens zijn er uitsneden gemaakt van een detail om de scherpte goed te kunnen beoordelen.

Resultaten

F/3


1/25e sec.

Ik had met f/2.8 willen beginnen, maar afhankelijk van de onderwerpsafstand kan de macrolens dat soms niet aan. In dit geval (onderwerp op ca. 1 meter) was het grootst mogelijke diafragma f/3.

De rechterkant, bijvoorbeeld het cijfer 35 is niet scherp hier. Dit ligt aan de zeer beperkte scherptediepte bij dit grote diafragma. Dat moet steeds beter worden als het diafragma geknepen gaat worden.

F/4

1/5e sec.
35 is al scherper.

F/5.6

1/8e sec.
35 is nog beter scherp.

F/8

1/4e sec.

F/11

1/2e sec.

F/16

1 sec.

F/22

2 sec.
Hier vind ik voor het eerst goed zichtbaar dat diffractie optreedt. Het getal 70 dat midden in het scherpstelpunt lag is iets minder scherp hier. Het is niet slecht, maar wel zichtbaar.

F/32

4 sec.

Hier is het effect nog wat sterker waarneembaar. Ook lijkt de opname wat doffer te zijn geworden.

Diffractie en ook onscherpte bij een maximaal geopend diafragma zijn hier zichtbaar. De verschillen zijn echter niet heel groot wat te danken is aan de kwaliteit van het objectief. Macrolenzen staan erom bekend optisch zeer goed te zijn en dat is hier zichtbaar. Optimale prestatie is er in dit geval van f/4 tot f/16. De meeste 'normale' lenzen presteren over een minder groot diafragmabereik. Bij weinig licht zou ik echter met een gerust hart het diafragma helemaal openzetten. 
Dit is bij iedere lens weer anders, maar een aantal zaken geldt altijd:
  • Diafragma maximaal geopend resulteert in onscherpte. Vuistregel is om 1 stop het diafragma te knijpen (in dit voorbeeld van f/2.8 naar f/4).
  • De meeste lenzen bereiken hun maximale scherpte bij f/8 - f/11.
  • Daarboven treedt diffractie op. Nog kleinere diafragma's zijn niet aan te raden.
Bedankt voor het lezen!

Robert van Brug

zaterdag 25 februari 2012

Diafragma, sluitertijd en lichtgevoeligheid (ISO)

Over diafragma, sluitertijd en lichtgevoeligheid (ISO), de heilige drie-eenheid van de fotografie.

Er zijn al boekenkasten volgeschreven over diafragma, sluitertijd en lichtgevoeligheid (ISO), maar ik waag het erop om het op mijn manier nog een keer te doen. Voegt dat iets toe? Ik hoop een heel makkelijk te begrijpen uitleg te geven. Sommigen blijven dit een lastig verhaal vinden dus daarom hier: belichting voor dummies.

Om foto's te maken is licht nodig. Licht van de zon, lampen of een flitser schijnt op iets wat gefotografeerd moet worden en gaat vanaf daar naar het fototoestel. De lens is het eerste onderdeel waar het licht binnenkomt. In de lens zit een diafragma, waarmee de hoeveelheid licht die doorgelaten wordt kan worden geregeld.

Foto van een lens. De lamellen die je hier ziet (die grijze bladen die in elkaar gedraaid zitten) vormen samen het diafragma. Hier is het diafragma bijna dicht: er is nog maar een klein gaatje over en er wordt maar heel weinig licht doorgelaten.

Waarom zou je licht tegenhouden? De grootte van het diafragma is allesbepalend voor iets dat scherptediepte heet en dat ik hier verder uitleg.

Om het heel simpel te zeggen: diafragma bepaalt voor een groot deel hoe een foto er uitziet.

Is het licht het diafragma eenmaal voorbij dan is het volgende belangrijke onderdeel in de camera de beeldsensor. De beeldsensor doet op digitale wijze wat vroeger het filmrolletje deed. Een fillmrolletje is gemaakt van lichtgevoelig materiaal en als je daar even een beeld op projecteert dan staat dat erop. Een beeldsensor is niet anders.

Het diafragma staat altijd open en er komt continue licht doorheen. Een foto is echter een momentopname, dus we willen het licht maar heel even doorlaten, een fractie van een seconde. Vóór de beeldsensor zit de sluiter en die maakt dit mogelijk. Stel het voor als luxaflex die heel kort open- en dan weer dichtgaan.
Het zal duidelijk zijn dat een actiefoto een veel snellere sluitertijd nodig heeft dan iets dat niet beweegt, zoals bijvoorbeeld een gebouw. Meer uitleg hier.

Met diafragma en sluitertijd kun je alles regelen. Optisch is dit alles wat er is. Maar er is een derde, meer technische kant die belangrijk is, namelijk de lichtgevoeligheid, beter bekend als ISO.

Stel dat voor een bepaalde foto het diafragma en de sluitertijd gekozen is, maar de foto wordt niet goed belicht: te donker of te licht. Dan kan door het instellen van de ISO-waarde de lichtgevoeligheid verandert worden. Het is een technische truc waarmee de opname donkerder of lichter gemaakt kan worden.

Dat was het! Dat viel mee, toch? Wat hierna volgt zijn details, maar wie weet is het interessant?


Aha, je bent er nog, dus je bent toch nieuwsgierig naar meer informatie. Met diafragma en sluitertijd bepaal je de hoeveelheid licht die op de sensor valt en met ISO de lichtgevoeligheid van diezelfde sensor. Laten we er eens wat mee rekenen.

De volgende tabel laat een aantal mogelijke instellingen zien die allemaal tot dezelfde belichting leiden:

Diafragma
(f/)
Sluitertijd
(in seconde)
ISO
8
1/1000
400
8
1/500
200
8
1/2000
800
4
1/1000
100
11
1/1000
800
11
1/250
200
2.8
1/4000
200
1.4
1/8000
100
22
1/500
1600
16



1/125



640

Bij de laatste drie regels mag je zelf de ontbrekende waarden bedenken. De laatste is het lastigst! Laat een paar van de mogelijke antwoorden maar als reactie achter, ik ben benieuwd.

Bovenstaande tabel laat de samenhang tussen de drie mooi zien:
Een groot diafragma (f/2.8 bijvoorbeeld) gaat goed samen met een korte sluitertijd bij een fatsoenlijke ISO waarde. Wil je een korte sluitertijd bij een kleiner diafragma (groter getal) dan moet de ISO omhoog.

Deze instellingen leveren wel andere resultaten, de belichting is alleen gelijk. Het spreekt vanzelf dat bij een andere diafragma de scherptediepte anders wordt en bij een andere sluitertijd ontstaat er misschien bewegingsonscherpte. Tenslotte kun je bij een hogere ISO waarde meer ruis verwachten. Maar de belichting is in alle gevallen gelijk en er zijn nog veel meer waarden mogelijk. Als je bedenkt dat een andere situatie ook om een andere belichting vraagt, en dat de hoeveelheid licht vaak niet constant is (wolkje voor de zon, zon en schaduw wisselen af, enzovoort), dan zal duidelijk zijn dat bovenstaande ontzettend belangrijk is. Dit moet je als fotograaf minimaal onder de knie hebben.

Succes en bedankt voor het lezen.

Robert van Brug









maandag 2 januari 2012

Sluitertijd: het bevriezen van beweging

Als eerste natuurlijk de beste wensen voor 2012! Ik hoop dat het een mooi jaar wordt. Dat er maar vele fotogenieke dingen op jullie en mijn pad mogen komen en dat we dat maar heel mooi mogen vastleggen.

Ik wil het in dit eerste artikel dit jaar hebben over sluitertijd. Dit is een van de dingen die makkelijk te begrijpen is in de fotografie: als iets sneller beweegt moet je camera ook sneller zijn, anders wordt de opname bewogen.

Maar welke beweging moet je bevriezen? Er zijn 4 soorten:
  1. de trilling van je hand. En je hand trilt altijd al is het maar door je eigen hartslag. Dit is een van de redenen om foto's vanaf een statief te nemen, dat is veel stabieler.
  2. de beweging van het object waar je je op/in bevindt, bijvoorbeeld een rijdende auto of trein.
  3. het object zelf beweegt. Een vogel die naar je toe vliegt heeft een voorwaartse snelheid, dat is ook beweging, en wel met 50-80 km/u. Een formule 1 auto kan 300 km/u halen een straaljager ruim 1000 km/u.
  4. Beweging in het object zelf: in het vorige voorbeeld zou dat het klappen van de vleugels zijn. Deze beweging gaat nog veel sneller dan de vorige en is dus moeilijker te bevriezen. 
Een paar ganzen in vlucht, met alle soorten beweging hier aanwezig: ik was bijrijder terwijl we met 70 km/u over een dijk reden. Vlak naast de auto vlogen deze ganzen, dus: raam open en klikken maar.
Mijn hand bewoog zeker. De auto bewoog ook zoals gezegd. De vogels vliegen vooruit, die beweging valt mee omdat het bijna net zo snel was als de auto reed. Tenslotte de vleugelslag. Met een sluitertijd van 1/3200e seconde is het beeld helemaal bevroren.

Nu wil ik het alleen over het bevriezen van de beweging in het onderwerp hebben, nummer 3 en 4 in de lijst. Nummers 1 en 2 vallen onder vibratiereductie, dat komt een andere keer.

De vraag is: welke sluitertijd heb je nodig om beweging van het onderwerp te bevriezen? Ik heb een aantal sluitertijden onder elkaar gezet om zo een overzichtje te maken:
  • 1/8000e: snelste sluitertijd op prosumer camera's. Geschikt bijvoorbeeld voor het vastleggen van een vliegende kolibrie. Extreem veel licht nodig. Nog kortere sluitertijden zijn alleen met flitsers bereikbaar, maar dat is voor een andere keer, ik ga hier uit van natuurlijk licht.
  • 1/4000e: snelste sluitertijd op consumer camera's. Geschikt voor het bevriezen van snelle beelden, zoals atleten in actie of snel vliegende vogels. Veel licht nodig om dit te halen!
  • 1/1000e-1/2000e voor het vastleggen van gemiddeld snel bewegende objecten. De meeste vogels in vlucht zijn hiermee goed te doen.
  • 1/250e-1/500e: geschikt voor het maken van foto's van normaal bewegende mensen.
  • 1/125e: vanaf deze waarde en lager niet meer geschikt om beweging te bevriezen.
  • 1/60e: standaard sluitertijd met flitslicht op mijn spiegelreflex. Op compactcamera's vaak 1/30e seconde.
  • 1/20e - 1 seconde en langere sluitertijd: met name gebruikt voor creatieve effecten, waardoor het beeld bewust bewogen wordt vastgelegd.

1/30e-1/250e is de range die gebruikt kan worden voor panning: het meetrekken van de camera met de beweging van het onderwerp. Het idee van panning is dat het onderwerp scherp wordt vastgelegd maar dat de achtergrond door de meetrekkende beweging bewogen wordt.

Panning opname van Iris: camera met Iris meebewogen, de achtergrond wordt een waas, wat snelheid suggereert.











Deze buizerd kwam plotseling laag overvliegen,
waardoor ik geen tijd had instellingen te wijzigen. Sluitertijd was 1/500e op dat moment. De voorwaartse beweging van de buizerd is hiermee bevroren, maar de beweging in de vleugels niet, dan had ik tussen 1/1000 en 1/2000e moeten gaan zitten.
Dit is niet per se slecht: het geeft ook wat dynamiek aan de opname.

Langere sluitertijden kunnen ook gebruikt worden voor creatieve effecten. Een voorbeeld:

Onze kerstboom (van 2010). Foto genomen in een verder donkere kamer (na zonsondergang, alle lichten uit), vanaf statief, sluitertijd 2,5 seconde en gedurende die tijd langzaam ingezoomd.



















Foto van een verlichte rotonde, bij nacht. Gemaakt vanaf statief, sluitertijd maar liefst 15 seconden. De rotonde zelf, de bomen en lantaarnpalen zijn allemaal prima, de strepen in het beeld worden veroorzaakt door de lichten van de bus die voorbij kwam rijden.





Afrikaanse Zeearend op jacht, gepakt op 1/6400e seconde: dat bevriest zo ongeveer alle beweging, inclusief de trillingen van mijn hand, het schommelen van het bootje, de voorwaartse beweging van de arend, het klappen van de vleugels én de kleine veertjes op de vleugels die kunnen bewegen door de vliegsnelheid: alles staat prachtig stil! Om dit te realiseren heb je heel veel licht nodig, maar dat is er in Afrika meestal wel.

Het mag duidelijk zijn dat het volledig bevriezen van alle beweging niet altijd het mooiste beeld oplevert. Aan de andere kant is het vaak niet mogelijk om een enorme snelle sluitertijd te halen, domweg omdat er onvoldoende licht aanwezig is. Stel je wilt een foto maken waarbij je 1/1000e seconde nodig hebt, maar je haalt maar 1/100e wegens weinig licht. Achterop je camera zie je dat het beeld bewogen is. Wat zijn je opties? Het zijn er drie:
  1. Vergroot het diafragma. Hoe lager het f-getal, hoe wijder de opening van de lens, hoe sneller het is. Op maximaal diafragma zijn de meeste lenzen niet op hun best, maar je moet toch iets. Ook kun je een lens erop zetten die gevoeliger is voor licht, of een teleconverter er tussenuit halen, dit helpt allemaal op dezelfde manier.
  2. Verhoog de ISO-waarde. Dit levert weliswaar meer ruis op, maar anders is het beeld bewogen. Bovendien is dit het punt waar de afgelopen paar jaren de grootste vooruitgang is geboekt: minder ruis bij hogere ISO-waarden. Als je ermee om kunt gaan is tot ISO 1000 met niet teveel ruis goed te fotograferen.
  3. Zorg dat er meer licht komt! Ben je ergens binnen, doe dan alle lampen in de buurt aan. Helpt dit niet voldoende gebruik dan de flitser. Op de savanne in Afrika heb ik wel eens met zaklampen een paar leeuwen opgelicht om zo een foto mogelijk te maken.
Parende leeuwen net na zonsondergang, foto gemaakt bij licht van 2 LED-zaklampen van 200 lumen per stuk. Sluitertijd 1/15e seconde, ISO 3200. Redelijk extreme waarden en omstandigheden, maar zonder die zaklampen was er helemaal geen foto mogelijk geweest. Wees creatief.

Foto gemaakt door Wim Werrelman. Ik deed de belichting.





TIP: liever meer ruis dan een mislukte foto. Als je het nodig hebt, verhoog dan de ISO.

Bedankt voor de aandacht, tot een volgende keer!

Robert van Brug













zondag 18 december 2011

Scherptediepte

Dit artikel gaat over scherptediepte. Dit is het gebied waarin wij een beeld als scherp waarnemen. Dit is dus een subjectieve maatstaf, maar er zijn afspraken gemaakt over wat nog scherp is en wat niet meer.

Er zijn een aantal zaken die het scherptedieptegebied bepalen. Dit zijn:
  1. diafragma
  2. brandpuntsafstand
  3. afstand tot het onderwerp
  4. grootte van de sensor/cropfactor.
Ik zal het uitleggen aan de hand van een voorbeeld:


Bovenstaand 8 foto's van een rolmaat waarbij het diafragma verandert van groot (f/2) naar klein (f/22), waarbij is scherpgesteld op de 20 cm markering.

Op f/2 lijkt het scherp van 19 tot 20 cm = 1 cm. Berekend: 0,9 cm.
Op f/4 lijkt het scherp van 19 tot 22 cm = 3 cm. Berekend: 1,8 cm.
Op f/8 lijkt het scherp van 18 tot 27 cm = 9 cm. Berekend: 3,6 cm.
Op f/16 lijkt het wel helemaal scherp! Berekend: 7,2 cm.

Dat is meteen het eerste punt: de berekende scherptediepte wijkt af van de waargenomen scherptediepte. Bij een grotere scherptediepte lijkt het onscherpe gebied toch scherper! Het is steeds moeilijker om de grens van wat scherp is en wat niet aan te geven.

Maar wacht eens even: als we het gebied waarbinnen een beeld scherp is kunnen beïnvloeden, dan moet dat toch zo groot mogelijk zijn? Van voor tot achter knetterscherp is toch prima?

Nee dus! Stel je een groepsfoto voor gemaakt in de Efteling. De mensen in die groep moeten er goed opstaan, maar de rest hoeft niet scherp te zijn, sterker nog, dat leidt alleen maar af. Als 1 gebied scherp is en de rest minder scherp is ook direct duidelijk wat het onderwerp van de foto is. De volgende foto illustreert dit:

(jullie dachten toch niet dat er nu een groepsfoto uit de Efteling zou komen, of wel?)

Het linkerdeel van de foto is met diafragma f/5.6 genomen (zo groot mogelijk), het rechterdeel met f/20. Links is duidelijk dat de reiger het onderwerp van de foto is en de koe in de achtergrond leidt niet erg af. Rechts is de foto van voor tot achter scherp en is niet meer duidelijk waar de foto over gaat.

Er is nog iets aan de hand: het linkerdeel van de foto heeft een sluitertijd van 1/400e seconde, het rechterdeel van 1/80e. In veel gevallen zal de sluitertijd die bij zo'n klein diafragma hoort niet meer toereikend zijn en een bewogen beeld opleveren. Dan zit er niets anders op dan het scherptedieptegebied te verkleinen. Meestal is dat prima, omdat dit het de aandacht naar het hoofdonderwerp toeleidt, maar het kan foutgaan.

Het is namelijk ook nog mogelijk het diafragma te groot (f-getal te klein) te kiezen. Een portretfoto met een te groot diafragma levert een raar plaatje op: de ogen scherp, de neus en oren onscherp. Als je geluk hebt tenminste, anders is alleen de neus scherp, dat kan ook nog.


Rechterhelft van de foto (voor de kijkers!) op f/1.8 (1/60e sec., ISO 200), de linkerhelft op f/22 (1/3e sec., ISO 1600 en dan nog licht bewogen). De rechterhelft levert een onscherpe neus en oor op, aan de linkerkant is dit allemaal scherp, maar met f/22 is niet te werken wat aan de sluitertijd en iso waarden (=veel ruis) valt te zien.

Excuses dat er geen knapper model beschikbaar was voor deze opname.

Maar dat is heel vervelend! Koop ik een lekker lichtsterke lens (f/1.8), wordt het scherptedieptegebied onbruikbaar klein. Hoe los ik dat op? Nou, in het begin van dit artikel noemde ik 4 factoren die meespelen. De cropfactor van je camera kun je niet wijzigen, maar misschien wel de afstand tot je onderwerp, of de brandpuntsafstand als je een zoomlens gebruikt. Hoe het werkt?
  • Hoe groter het diafragma (kleiner f/getal), hoe kleiner de scherptediepte. Maar normaal gesproken koop je geen dure lens om het diafragma af te knijpen, dus weet wat je doet.
  • Hoe groter de brandpuntsafstand (meer ingezoomd), hoe kleiner de scherptediepte.
  • Hoe dichterbij het onderwerp, hoe kleiner de scherptediepte.
  • Voor de volledigheid: hoe groter de sensor, hoe kleiner de scherptediepte.
TIP:  merk je dat je scherptediepte mist, verklein dan het diafragma 
en/of doe een stap achteruit en/of zoom uit. En vice versa natuurlijk.

En voor het geval het echt belangrijk is gebruik je dofmaster. DoF staat voor Depth of Field, oftewel scherptediepte. Op deze website kun je je helemaal uitleven.

Hopelijk is er weer een mysterie ontrafeld. Tot een volgende artikel.

Robert van Brug

Voor de fanaten die meer van de achtergrond willen weten, lees het artikel op wikipedia.

maandag 28 november 2011

Diafragma en sluitertijd

Vandaag de absolute basis van de fotografie: diafragma en sluitertijd. Essentieel om te weten voor iedere fotograaf.

Om goed te begrijpen wat een camera doet, eerst de theorie. Een camera vangt met de lens licht dat binnenkomt op de beeldsensor en vertaalt dit in een digitaal beeld. In een lens zit een diafragma, niets anders dan een opening die groter en kleiner gemaakt kan worden. Als deze opening groter is valt er meer licht op de sensor en wordt het beeld lichter. Als de sluiter, denk aan luxaflex die voor de beeldsensor zit,  langer open is geldt hetzelfde: meer licht op de sensor levert een lichter beeld op.
De grootte van de opening van het diafragma noemen we verwarrend genoeg: diafragma. Hoe tijdsduur dat de sluiter openstaat heet sluitertijd en wordt uitgedrukt in seconden.

Nu lijkt het dat je twee middelen hebt om een beeld lichter of donkerder te maken, maar dat is niet zo: diafragma en sluitertijd hebben een verschillende functie, dat is voor een andere keer, maar eenvoudig gezegd moet de camera de sluiter snel genoeg sluiten om het beeld te bevriezen, anders treedt er bewegingsonscherpte op en dat is meestal ongewenst. Een gebouw kan met een lange sluitertijd prima vastgelegd worden, maar de auto's die ervoor langsrijden zullen dan bewogen zijn.

De hoeveelheid licht die wordt doorgelaten wordt uitgedrukt in stops. Een stop meer licht wil zeggen: twee keer zoveel licht wordt doorgelaten. Een stop minder is half zoveel licht.

Eerst sluitertijd:
Met een sluitertijd van 1/100e seconde wordt tweemaal zoveel licht doorgelaten als bij 1/200e seconde want de sluiter staat tweemaal zolang open. Simpel, toch?

Welke sluitertijd je moet kiezen hangt van een paar dingen af. Allereerst je onderwerp: het stilstaande gebouw of een langsrazende auto leveren heel andere waarden op. Maar er is ook nog zoiets als bewegingsonscherpte door de fotograaf. Tenzij je de camera op een statief zet zal deze in je hand altijd trillen. Bij een lange lens (grote zoomlens of telelens) heb je hier meer last van. Vuistregel: de sluitertijd moet gelijk zijn aan 1 gedeeld door de brandpuntsafstand. Bij een 50 mm-lens moet je dus 1/50e seconde kiezen of sneller. Bij een 300 mm lens al 1/300e seconde. Dan heb je dus ook meer licht nodig om dat te compenseren!

Nu diafragma.
Diafragma is moeilijker. Dit heeft te maken met de berekening van de grootte van de opening, maar ik zal niet op de achterliggende wiskunde ingaan, laten we het leuk houden. Er is een reeks die een fotograaf moet kennen, en die is:

1 / 1,4 / 2 / 2,8 / 4 / 5,6 / 8 / 11 / 16 / 22 / 32 / enzovoort.

De lichtgevoeligheid van een lens wordt uitgedrukt met het zogenaamde diafragmagetal (f) en dat is vaak een getal uit bovenstaande reeks, bijvoorbeeld f/5.6.
Een lager getal wil zeggen gevoeliger voor licht. Eén stop lager getal is twee keer zo lichtgevoelig, in dit voorbeeld dus f/4 is 2 keer zo lichtgevoelig als f/5.6.
f/2.8 is 2 keer 2 zo lichtgevoelig, dat is dus 4 keer. Dat is verwarrend omdat 5,6/2,8 2 is en niet 4. Het is echter niet anders.

Een lens met een grotere maximale opening = kleiner f-getal noemen we snel. Standaard voor professionele zoomlenzen (70-200 mm bijvoorbeeld) is 2.8. Een dergelijke lens is 4 keer zo snel als een standaard lens (f5.6) die vaak bij camera's geleverd wordt, de zogenaamde kitlens. Hij is ook een stuk duurder, groter en zwaarder. Naast deze nadelen en de snelheid is een dergelijke lens degelijker gemaakt én optisch veel beter: er treedt minder vertekening op.

Het diafragmagetal wat op een lens vermeld staat geeft de grootste opening van het diafragma aan, in mijn voorbeeld f/5.6, maar je kunt het diafragma ook kleiner maken waardoor het bijvoorbeeld f/8 wordt ook al kan de lens f/5.6 aan. Voor de volledigheid: andere diafragmagetallen zijn ook mogelijk, bijvoorbeeld 1,8 / 3,3 / 4,8 / 6,7 / 7,1 / 9,5 / 13 / 19. Ik noem ze omdat op veel spiegelreflexcamera's deze waarden ingesteld kunnen worden, maar onthoudt ze niet alsjeblieft, onthoudt alleen de reeks hiervoor, die is belangrijk.

Tijd voor wat rekenwerk om er gevoel bij te krijgen: stel, ik maak een opname bij f/8 en 1/100e seconde. Ik bekijk het resultaat achterop mijn camera en het is niet goed: er zit duidelijk bewegingsonscherpte in. Ik besluit te proberen de sluitertijd te halveren, naar 1/200e. Welk diafragma moet ik dan kiezen om dezelfde hoeveelheid licht door te laten? Precies: f5,6.
Ga ik in dit voorbeeld naar 1/400e seconde omdat het beeld bewogen blijft, dan moet het diafragma  naar f/4. Stel dat bij deze waarden (f/4 en 1/400e) het beeld mooi bevroren is, maar het beeld oogt nog wat donker, dan kun je dus niet de sluitertijd verlagen, maar wel het diafragma verder vergroten zodat deze meer licht gaat doorlaten, je zou op f3.3 bij 1/400e uit kunnen komen.

Nu hoor ik sommigen al zeggen: "Ik snap het wel, maar ik stel dat helemaal niet in, dat doet de camera zelf en dat gaat prima!" Dat begrijp ik. Bij 99% van alle compactcamera's kun je dit ook helemaal niet instellen en het gaat meestal goed, gelukkig maar. Bij spiegelreflexcamera's kun je ook op de auto-stand foto's nemen, maar zo'n camera biedt veel meer mogelijkheden. Dan heb ik het met name over de P, S, A en M-stand (bij Nikon, of P, Tv, Av, M bij Canon).

Ik heb het nadrukkelijk niet over een instelling voor macro, portret, landschap, sport, vuurwerk, onderwater, enzovoort. Geen enkele professional gebruikt die en de meeste ervaren amateurs ook niet. Zelf maak ik alle foto's met de P, S, A of M-stand. Geen uitzonderingen. Waarom? Omdat het betere foto's oplevert! En zo moeilijk is het nou ook weer niet, maar je moet je er wel een beetje in verdiepen. Hopelijk helpt dit blog hierbij ;-)

Tot een volgende keer!

Robert van Brug