Na theoretische achtergrond en de eerste probeerselen in de praktijk, zijn we de les daarna verder gegaan met creatief bezig zijn met belichting. Hierbij de resultaten:
Een paar reacties op bovenstaande foto zijn: "zijn dat tweelingbroers?" en "dat is het betere photoshop". Geen van beide waar, het is 1 foto waar 1 persoon twee keer opstaat.
Camera op statief in een goed verduisterde fotostudio, scherpstellen op de persoon op de stoel. Belichting op 10 seconden. Alle lichten uit, dus ook geen continulicht dat gebruikelijk is bij studiolampen. 1 keer flitsen, waarna het onderwerp opstaat en de andere pose aanneemt, nu nog een keer flitsen.
Let op dat bij een lichtere achtergrond de het beeld doorzichtig wordt, zoals te zien bij de vloer, maar nog beter bij de zitting van de stoel. Het gedeelte voor het zwarte gordijn is prima gelukt.
Dit is eenzelfde vervreemdende foto. Verkregen door 30 seconden te belichten waarna er 7 keer geflitst is. Na iedere flits doet Teus zijn armen een klein stukje verder. De overige beelden worden veroorzaakt door medecursisten Pia en Sylvia die achter Teus gingen staan zwaaien.
Nog een dubbele belichtingssituatie, hierbij met docent Roberto Bogers die bij de eerste keer flitsen wel op de stoel zat (let op de afstandbediening in zijn handen) en bij de tweede keer helemaal uit beeld was verdwenen. Door de lichtere achtergrond hier wordt hij daardoor doorzichtig. Spookachtig.
Dit was compleet iets anders: Sylvia hield haar handen aan de zijkant van haar hoofd terwijl van achteren een felle spot door haar haar scheen. Door nu flink te wapperen voor haar hoofd beweegt haar haar en wordt dit mooi uitgelicht.
Weer met tegenlicht, maar dit keer zonder gewapper. Een sjaal werd nu tussen Sylvia en de lens gehouden, waardoor zij zelf een schaduw op de sjaal veroorzaakte. Door het noppenpatroon werkt deze foto goed.
Laastste foto van de avond, combinatie van alles: twee sjaals, 1 voor en 1 achter Milou, spot als tegenlicht en wapperen om haar haar in beweging te krijgen. Hier heb ik de foto in de nabewerking redelijk wat lichter gemaakt zodat haar ogen weer net zichtbaar werden.
De mogelijkheden zijn eindeloos en worden alleen door de eigen fantasie begrensd. Internet staat vol met allerhande creatieve mogelijkheden. Bedenk het en probeer het, het is leuk om te doen en het levert waanzinnige beelden op.
Bedankt voor het lezen,
Robert van Brug
Weblog van Robert van Brug over fotografie. Mijn persoonlijke ervaringen en learning curve. Besprekingen van techniek, maar ook dingen die ik al fotograferend meemaak. En bovenal probeer ik tips te geven die tot betere foto's zullen leiden.
Posts tonen met het label belichting. Alle posts tonen
Posts tonen met het label belichting. Alle posts tonen
zaterdag 1 maart 2014
maandag 30 april 2012
Fotobewerking
Als een productnaam een soortnaam wordt zoals bijvoorbeeld Luxaflex (horizontale lamellen) dan is dat een teken van succes. Denk ook aan Senseo in plaats van koffiepads.
Maar als het een werkwoord wordt, dan is het nog beter! Dat is aan de hand met Photoshop. Photoshop is feitelijk een product van Adobe waarmee foto's bewerkt kunnen worden. Als werkwoord (photoshoppen, zonder hoofdletter) betekent het het aanpassen van een foto. Er zijn verscheidene producten van verschillende leveranciers op de markt die min of meer hetzelfde bieden, maar Photoshop is het oerproduct. Het is er al lang, het is enorm uitgebreid, het is kostbaar en je kunt er ongelooflijke dingen mee doen.
Photoshop is buiten de fotografiewereld vooral bekend van de fotomodellen die gephotoshopt zijn, met een 't'. Een perfect egale huid, een twinkeling in de ogen, grote ogen, dito borsten, platte buik en zo nog een paar zaken waar menig tienermeisje aan onderdoor gaat. Dit artikel gaat niet om het veranderen van de werkelijkheid (of toch?) maar om het verfraaien van een foto.
Omdat ik mijn foto's schiet in RAW en niet in JPEG ben ik verplicht om de foto's verder te ontwikkelen voordat ik er iets me kan. Een JPEG-opname wordt door de camera al bewerkt, maar volgens een standaard recept (beetje meer contrast, iets verscherpen, nog wat dingetjes en klaar). Veel onwetenden claimen dan ook niets aan een foto gedaan te hebben. Dat klopt, dat heeft de camera al voor jou gedaan.
Een RAW-bestand is wat er echt voor je lens kwam en dit kun je nog helemaal ontwikkelen in de door jou gewenste richting. En als je dan toch bezig bent, kun je net zo goed een paar verbeteringen doorvoeren.
Een voorbeeld:
In Photoshop is alles mogelijk. Ik kan hier niet ingaan op alle mogelijkheden, er zijn al bibliotheken volgeschreven over de mogelijkheden. Ik zal een paar vaak door mij gebruikte functies er hier uitlichten.
En hoe ziet het er dan uit?
Dit was een eerste poging. Het geautomatiseerde deel gedaan, uitsnede gemaakt, paar kleine aanpassingen en klaar. Paar minuutjes werk. Maar de foto oogt nog erg hard. En die tak op de achtergrond die vlak voor die snavel zit is ook niet mooi. En de schaduwband over het lijf zorgt voor donkere en lichtere partijen. Geen slechte foto, maar kan beter. Overigens goed genoeg voor plaatsing op Birdpix. Maar er kwam niet veel feedback op.
Poging twee:
Deze opname heeft meer balans tussen de lichte en donkere partijen. Veel storende elementen op de achtergrond zijn op magische wijze verdwenen. En door wat te spelen met kleurbalans (color balance) is de foto zachter geworden. Het oog extra verscherpt. De tak waarop hij zit een stuk donkerder gemaakt. Dit kostte een half uur extra, vooral voor het veranderen van de achtergrond. Fotobewerking kan veel meer tijd kosten dan het maken van de foto. Dit is de voornaamste reden dat alleen foto's die het waard zijn zo uitgebreid worden aangepakt.
De foto is weliswaar vrij sterk gewijzigd door mijn toedoen, maar de vogel staat er alleen maar meer op zoals ik hem graag zou hebben vastgelegd. Ik heb geen visje in zijn snavel gephotoshopt. Of er nog een tweede vogel bijgekloond. En die takken op de achtergrond voegden toch al niets toe, ze leidden alleen maar af, dus weg ermee.
Een half uur werk voor 1 foto is een boel tijd. Is het nu een perfecte opname? Nee, zeker niet, maar ik vind dat hij wel beter is geworden, ik heb er nu uitgehaald wat erin zit. Als bij het maken van de opname alles klopt hoeft dit ook allemaal niet. Mijn beste foto's zit maar een paar minuten bewerking in. Maar zoals in de situatie hierboven, je bent een keer op een exotische bestemming, je ziet iets aparts, dan wil je dat zo goed mogelijk maken. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor trouwreportages, sportwedstrijden, enzovoort. Je kunt moeilijk aan een speler vragen het winnende doelpunt over te spelen omdat jij de witbalans niet goed had staan.
Iedereen moet zelf weten wat hij of zij doet met fotobewerking. Ik wilde hier graag een keer laten zien wat ik ermee doe en waar voor mij de grenzen liggen. Ik hoop dat het een duidelijk verhaal is. Als iemand er vragen over heeft dan stuur me maar een berichtje of laat een reactie achter.
Tot een volgende keer,
Robert van Brug
Maar als het een werkwoord wordt, dan is het nog beter! Dat is aan de hand met Photoshop. Photoshop is feitelijk een product van Adobe waarmee foto's bewerkt kunnen worden. Als werkwoord (photoshoppen, zonder hoofdletter) betekent het het aanpassen van een foto. Er zijn verscheidene producten van verschillende leveranciers op de markt die min of meer hetzelfde bieden, maar Photoshop is het oerproduct. Het is er al lang, het is enorm uitgebreid, het is kostbaar en je kunt er ongelooflijke dingen mee doen.
Photoshop is buiten de fotografiewereld vooral bekend van de fotomodellen die gephotoshopt zijn, met een 't'. Een perfect egale huid, een twinkeling in de ogen, grote ogen, dito borsten, platte buik en zo nog een paar zaken waar menig tienermeisje aan onderdoor gaat. Dit artikel gaat niet om het veranderen van de werkelijkheid (of toch?) maar om het verfraaien van een foto.
Omdat ik mijn foto's schiet in RAW en niet in JPEG ben ik verplicht om de foto's verder te ontwikkelen voordat ik er iets me kan. Een JPEG-opname wordt door de camera al bewerkt, maar volgens een standaard recept (beetje meer contrast, iets verscherpen, nog wat dingetjes en klaar). Veel onwetenden claimen dan ook niets aan een foto gedaan te hebben. Dat klopt, dat heeft de camera al voor jou gedaan.
Een RAW-bestand is wat er echt voor je lens kwam en dit kun je nog helemaal ontwikkelen in de door jou gewenste richting. En als je dan toch bezig bent, kun je net zo goed een paar verbeteringen doorvoeren.
Een voorbeeld:
Een Afrikaanse Reuzenijsvogel, onbewerkte foto.
Bovenstaande soort heb ik voor het eerst fatsoenlijk kunnen vastleggen vanuit een boot op de Luangwa rivier in Zambia. Hij zat in keihard zonlicht aan het eind van de ochtend, tussen een heleboel takken in. Er bleek een doorkijkje mogelijk waarbij deze vogel niet achter een tak zat en dit is het resultaat. Na een paar opnamen was de vogel gevlogen en dit bleek de beste opname te zijn. Ik was blij dat ik de vogel gezien had en nog wel redelijk dichtbij (12 meter) en er was een geslaagde registratie van het beest, maar is dit ook mooi?
Nou, als ik heel eerlijk ben, het gaat. Hij is niet bewogen, scherp, redelijk belicht, de vogel staat er helemaal op, er zijn geen storende takken die er nog voorlangs lopen, het oog is open en goed zichtbaar: tot zover klopt het allemaal.
Maar het licht is knetterhard. Er loopt een schaduw deels over zijn lijf. De tak waar hij op zit is enorm overbelicht. De achtergrond is rommelig door alle takken die daar zichtbaar zijn.
Ik heb een aantal stappen in het bewerkingsproces geautomatiseerd in Adobe Bridge (de zogenaamde Adobe RAW converter of ARC). Deze zijn:
- Lenscorrectie. Iedere lens vertekent het beeld en dit is eenvoudig weer recht te trekken achteraf.
- Cameraprofiel. Op de camera kun je aangeven of je een portret, landschap, levendig (vivid), standaard of neutraal cameraprofiel wilt. De camera houdt hier rekening mee en het resulteert in andere kleuren en contrast. Zeer belangrijke functie en vaak vergeten. Als je in RAW fotografeert is deze ook nog achteraf in te stellen, net als de witbalans. Dat gebruik ik dus. Vaak neem ik het standaard profiel, maar voor foto's uit Afrika het neutrale profiel. Een kwestie van smaak vooral.
- Contrast verhogen naar +40
- Clarity verhogen naar +20
- Vibrance [levendigheid] verhogen naar +20
- Sharpening [verscherping] verhogen naar 55
- Radius [straal] verhogen naar 1,5
Dan kijk ik of het naar mijn zin is, soms verander ik nog iets. De verscherping kan bijvoorbeeld teveel van het goede zijn (controleer op 100% grootte) of het kan juist nog wel wat meer gebruiken. Daarna ga ik handmatig zaken aanpassen, in deze volgorde:
- De witbalans is het eerste waar ik naar kijk. De camera staat op Auto Witbalans en doet het vaak goed, maar niet altijd. Dit kan een rare kleurzweem opleveren in het beeld. Ook hele witte (bijvoorbeeld in de sneeuw) of zwarte onderwerpen (in de schaduw) gaan nog wel eens fout. Altijd controleren. Vaak gebruik ik hier de auto-functie om te kijken wat Adobe ervan zou maken. Bijna even vaak vind ik dat teveel van het goede en kom ik ergens halverwege uit.
- De belichting [exposure]. Kijkend naar het histogram bekijk ik of een opname goed belicht is. Het kan zijn dat er een behoorlijke piek rechts in het histogram zit terwijl aan de linkerzijde niets zit. Dan is er waarschijnlijk overbelicht en mogelijk wordt de foto er beter van door deze in zijn geheel donkerder te maken. Lichter maken doe ik niet hier omdat dit ruis veroorzaakt, of het moet niet anders kunnen.
- De recovery slider, oftewel de herstelfunctie. Als er overbelichte delen rood oplichten en het is niet uitgebeten wit, dan is het hiermee mogelijk dat te herstellen.
- Fill light, het opvullicht. Doet hetzelfde als de herstelfunctie, alleen voor te donkere gebieden, die blauw aangegeven zijn. Rode en blauwe vlakken, zeker in het hoofdonderwerp v/d foto moet voorkomen worden. Als de achtergrond niet goed is is dat niet zo erg.
- Vervolgens de ruisonderdrukking. Tot voor kort gebruikte ik eigenlijk altijd ruisonderdrukking maar daar ben ik mee opgehouden. Ruisonderdrukking en verscherping staan haaks op elkaar. De foto moet verscherpt worden en ruisonderdrukking werkt averechts, dus ik gebruik het nu alleen als er over de hele foto veel ruis zichtbaar is. Vaak bij ISO 1600 of meer. En dan zo min mogelijk, bijvoorbeeld Luminance 20 en Luminance Detail 30.
In Photoshop is alles mogelijk. Ik kan hier niet ingaan op alle mogelijkheden, er zijn al bibliotheken volgeschreven over de mogelijkheden. Ik zal een paar vaak door mij gebruikte functies er hier uitlichten.
- Bijna altijd snijd ik wat weg. Wat levert een sterke compositie op? Staat er een storend element in beeld? Wil je het hoofdonderwerp groter in beeld brengen? Snijden tot er overblijft wat je wilt hebben. Dit heet ook croppen, niet te verwarren met de crop factor van de sensor. Ik probeer minstens 25% van het oorspronkelijke beeld over te houden, maar hoe meer hoe liever. Bij deze stap hoort ook het rechtzetten van de foto. Als duidelijk is dat een foto niet rechtstaat corrigeer dat dan hier.
- Levels adjustment layer. Hiermee wordt het histogram verdeeld over het hele spectrum. Wit- en zwartpunten worden gezocht. Hierdoor kan de foto er dramatisch beter uit gaan zien, vooral als er niet veel dynamiek in de foto zat dan wordt het hierdoor veel sprekender.
- Lichte en donkere partijen (highlights and shadows) aanpassen. Een foto kan een deel in de schaduw hebben en een deel in de volle zon. Dat is erg lastig voor een camera, maar achteraf kan het donkere deel wat lichter gemaakt worden en het lichte deel juist wat donkerder zodat het allebei goed zichtbaar wordt.
- Als laatste stap: verkleinen. Voor publicatie op websites als Flickr en Birdpix (zie links in de header van dit blog) gebruik ik verkleinde foto's. Een bestand van 5 tot 6 MB uploaden zou lang duren maar er zijn meer redenen. Een is bescherming. De verkleinde foto kan door mensen van internet worden geplukt en gebruikt zonder mij als rechthebbende daarvoor te compenseren. Maar de originele, niet verkleinde foto, bevat altijd meer detail. Voor drukwerk is zo'n kleine foto onvoldoende. Foto's verkleinen heeft nog een paar plezierige bijwerkingen, nl. de hoeveelheid ruis vermindert en de scherpte neemt toe door naverscherping.
Ook dit zijn allemaal globale aanpassingen, op de hele foto, zonder de foto echt te wijzigen. Voor het opslaan komen dan de kleine aanpassingen, waarbij het helemaal van de foto afhangt wat er nodig is:
- Wegpoetsen van storende elementen. Een takje op de achtergrond dat afleidt bijvoorbeeld. Als ik mensen fotografeer en iemand heeft een pukkel dan haal ik die weg. Maar moedervlekken laat ik zitten.
- Tanden maak ik vaak witter dan ze zijn.
- Ogen verscherp ik vaak apart. Mensen kijken altijd eerst naar de ogen en daar moet de foto dan ook het scherpst zijn. Als ogen in de schaduw zitten dan maak ik ze vaak een beetje lichter.
- Lokale verscherping. Bij vogels breng ik vaak de vogel onder in een aparte laag en verscherp die extra.
- De rest van de foto ontruis ik extra.
Al deze zaken zijn sterk afhankelijk van de foto in kwestie en wat ik voor ogen heb. En van mijn persoonlijke smaak. Door deze zaken verandert de foto wel degelijk: het is niet meer de foto die ik gemaakt heb.
En hoe ziet het er dan uit?
Dit was een eerste poging. Het geautomatiseerde deel gedaan, uitsnede gemaakt, paar kleine aanpassingen en klaar. Paar minuutjes werk. Maar de foto oogt nog erg hard. En die tak op de achtergrond die vlak voor die snavel zit is ook niet mooi. En de schaduwband over het lijf zorgt voor donkere en lichtere partijen. Geen slechte foto, maar kan beter. Overigens goed genoeg voor plaatsing op Birdpix. Maar er kwam niet veel feedback op.
Poging twee:
Deze opname heeft meer balans tussen de lichte en donkere partijen. Veel storende elementen op de achtergrond zijn op magische wijze verdwenen. En door wat te spelen met kleurbalans (color balance) is de foto zachter geworden. Het oog extra verscherpt. De tak waarop hij zit een stuk donkerder gemaakt. Dit kostte een half uur extra, vooral voor het veranderen van de achtergrond. Fotobewerking kan veel meer tijd kosten dan het maken van de foto. Dit is de voornaamste reden dat alleen foto's die het waard zijn zo uitgebreid worden aangepakt.
De foto is weliswaar vrij sterk gewijzigd door mijn toedoen, maar de vogel staat er alleen maar meer op zoals ik hem graag zou hebben vastgelegd. Ik heb geen visje in zijn snavel gephotoshopt. Of er nog een tweede vogel bijgekloond. En die takken op de achtergrond voegden toch al niets toe, ze leidden alleen maar af, dus weg ermee.
Een half uur werk voor 1 foto is een boel tijd. Is het nu een perfecte opname? Nee, zeker niet, maar ik vind dat hij wel beter is geworden, ik heb er nu uitgehaald wat erin zit. Als bij het maken van de opname alles klopt hoeft dit ook allemaal niet. Mijn beste foto's zit maar een paar minuten bewerking in. Maar zoals in de situatie hierboven, je bent een keer op een exotische bestemming, je ziet iets aparts, dan wil je dat zo goed mogelijk maken. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld ook voor trouwreportages, sportwedstrijden, enzovoort. Je kunt moeilijk aan een speler vragen het winnende doelpunt over te spelen omdat jij de witbalans niet goed had staan.
Iedereen moet zelf weten wat hij of zij doet met fotobewerking. Ik wilde hier graag een keer laten zien wat ik ermee doe en waar voor mij de grenzen liggen. Ik hoop dat het een duidelijk verhaal is. Als iemand er vragen over heeft dan stuur me maar een berichtje of laat een reactie achter.
Tot een volgende keer,
Robert van Brug
zaterdag 25 februari 2012
Diafragma, sluitertijd en lichtgevoeligheid (ISO)
Over diafragma, sluitertijd en lichtgevoeligheid (ISO), de heilige drie-eenheid van de fotografie.
Er zijn al boekenkasten volgeschreven over diafragma, sluitertijd en lichtgevoeligheid (ISO), maar ik waag het erop om het op mijn manier nog een keer te doen. Voegt dat iets toe? Ik hoop een heel makkelijk te begrijpen uitleg te geven. Sommigen blijven dit een lastig verhaal vinden dus daarom hier: belichting voor dummies.
Om foto's te maken is licht nodig. Licht van de zon, lampen of een flitser schijnt op iets wat gefotografeerd moet worden en gaat vanaf daar naar het fototoestel. De lens is het eerste onderdeel waar het licht binnenkomt. In de lens zit een diafragma, waarmee de hoeveelheid licht die doorgelaten wordt kan worden geregeld.
Foto van een lens. De lamellen die je hier ziet (die grijze bladen die in elkaar gedraaid zitten) vormen samen het diafragma. Hier is het diafragma bijna dicht: er is nog maar een klein gaatje over en er wordt maar heel weinig licht doorgelaten.
Waarom zou je licht tegenhouden? De grootte van het diafragma is allesbepalend voor iets dat scherptediepte heet en dat ik hier verder uitleg.
Om het heel simpel te zeggen: diafragma bepaalt voor een groot deel hoe een foto er uitziet.
Is het licht het diafragma eenmaal voorbij dan is het volgende belangrijke onderdeel in de camera de beeldsensor. De beeldsensor doet op digitale wijze wat vroeger het filmrolletje deed. Een fillmrolletje is gemaakt van lichtgevoelig materiaal en als je daar even een beeld op projecteert dan staat dat erop. Een beeldsensor is niet anders.
Het diafragma staat altijd open en er komt continue licht doorheen. Een foto is echter een momentopname, dus we willen het licht maar heel even doorlaten, een fractie van een seconde. Vóór de beeldsensor zit de sluiter en die maakt dit mogelijk. Stel het voor als luxaflex die heel kort open- en dan weer dichtgaan.
Het zal duidelijk zijn dat een actiefoto een veel snellere sluitertijd nodig heeft dan iets dat niet beweegt, zoals bijvoorbeeld een gebouw. Meer uitleg hier.
Met diafragma en sluitertijd kun je alles regelen. Optisch is dit alles wat er is. Maar er is een derde, meer technische kant die belangrijk is, namelijk de lichtgevoeligheid, beter bekend als ISO.
Stel dat voor een bepaalde foto het diafragma en de sluitertijd gekozen is, maar de foto wordt niet goed belicht: te donker of te licht. Dan kan door het instellen van de ISO-waarde de lichtgevoeligheid verandert worden. Het is een technische truc waarmee de opname donkerder of lichter gemaakt kan worden.
Dat was het! Dat viel mee, toch? Wat hierna volgt zijn details, maar wie weet is het interessant?
Aha, je bent er nog, dus je bent toch nieuwsgierig naar meer informatie. Met diafragma en sluitertijd bepaal je de hoeveelheid licht die op de sensor valt en met ISO de lichtgevoeligheid van diezelfde sensor. Laten we er eens wat mee rekenen.
De volgende tabel laat een aantal mogelijke instellingen zien die allemaal tot dezelfde belichting leiden:
Bij de laatste drie regels mag je zelf de ontbrekende waarden bedenken. De laatste is het lastigst! Laat een paar van de mogelijke antwoorden maar als reactie achter, ik ben benieuwd.
Bovenstaande tabel laat de samenhang tussen de drie mooi zien:
Een groot diafragma (f/2.8 bijvoorbeeld) gaat goed samen met een korte sluitertijd bij een fatsoenlijke ISO waarde. Wil je een korte sluitertijd bij een kleiner diafragma (groter getal) dan moet de ISO omhoog.
Deze instellingen leveren wel andere resultaten, de belichting is alleen gelijk. Het spreekt vanzelf dat bij een andere diafragma de scherptediepte anders wordt en bij een andere sluitertijd ontstaat er misschien bewegingsonscherpte. Tenslotte kun je bij een hogere ISO waarde meer ruis verwachten. Maar de belichting is in alle gevallen gelijk en er zijn nog veel meer waarden mogelijk. Als je bedenkt dat een andere situatie ook om een andere belichting vraagt, en dat de hoeveelheid licht vaak niet constant is (wolkje voor de zon, zon en schaduw wisselen af, enzovoort), dan zal duidelijk zijn dat bovenstaande ontzettend belangrijk is. Dit moet je als fotograaf minimaal onder de knie hebben.
Succes en bedankt voor het lezen.
Robert van Brug
Er zijn al boekenkasten volgeschreven over diafragma, sluitertijd en lichtgevoeligheid (ISO), maar ik waag het erop om het op mijn manier nog een keer te doen. Voegt dat iets toe? Ik hoop een heel makkelijk te begrijpen uitleg te geven. Sommigen blijven dit een lastig verhaal vinden dus daarom hier: belichting voor dummies.
Om foto's te maken is licht nodig. Licht van de zon, lampen of een flitser schijnt op iets wat gefotografeerd moet worden en gaat vanaf daar naar het fototoestel. De lens is het eerste onderdeel waar het licht binnenkomt. In de lens zit een diafragma, waarmee de hoeveelheid licht die doorgelaten wordt kan worden geregeld.
Waarom zou je licht tegenhouden? De grootte van het diafragma is allesbepalend voor iets dat scherptediepte heet en dat ik hier verder uitleg.
Om het heel simpel te zeggen: diafragma bepaalt voor een groot deel hoe een foto er uitziet.
Is het licht het diafragma eenmaal voorbij dan is het volgende belangrijke onderdeel in de camera de beeldsensor. De beeldsensor doet op digitale wijze wat vroeger het filmrolletje deed. Een fillmrolletje is gemaakt van lichtgevoelig materiaal en als je daar even een beeld op projecteert dan staat dat erop. Een beeldsensor is niet anders.
Het diafragma staat altijd open en er komt continue licht doorheen. Een foto is echter een momentopname, dus we willen het licht maar heel even doorlaten, een fractie van een seconde. Vóór de beeldsensor zit de sluiter en die maakt dit mogelijk. Stel het voor als luxaflex die heel kort open- en dan weer dichtgaan.
Het zal duidelijk zijn dat een actiefoto een veel snellere sluitertijd nodig heeft dan iets dat niet beweegt, zoals bijvoorbeeld een gebouw. Meer uitleg hier.
Met diafragma en sluitertijd kun je alles regelen. Optisch is dit alles wat er is. Maar er is een derde, meer technische kant die belangrijk is, namelijk de lichtgevoeligheid, beter bekend als ISO.
Stel dat voor een bepaalde foto het diafragma en de sluitertijd gekozen is, maar de foto wordt niet goed belicht: te donker of te licht. Dan kan door het instellen van de ISO-waarde de lichtgevoeligheid verandert worden. Het is een technische truc waarmee de opname donkerder of lichter gemaakt kan worden.
Dat was het! Dat viel mee, toch? Wat hierna volgt zijn details, maar wie weet is het interessant?
Aha, je bent er nog, dus je bent toch nieuwsgierig naar meer informatie. Met diafragma en sluitertijd bepaal je de hoeveelheid licht die op de sensor valt en met ISO de lichtgevoeligheid van diezelfde sensor. Laten we er eens wat mee rekenen.
De volgende tabel laat een aantal mogelijke instellingen zien die allemaal tot dezelfde belichting leiden:
Diafragma
(f/)
|
Sluitertijd
(in seconde)
|
ISO
|
8
|
1/1000
|
400
|
8
|
1/500
|
200
|
8
|
1/2000
|
800
|
4
|
1/1000
|
100
|
11
|
1/1000
|
800
|
11
|
1/250
|
200
|
2.8
|
1/4000
|
200
|
1.4
|
1/8000
|
100
|
22
|
1/500
|
1600
|
16
|
||
1/125
|
||
640
|
Bij de laatste drie regels mag je zelf de ontbrekende waarden bedenken. De laatste is het lastigst! Laat een paar van de mogelijke antwoorden maar als reactie achter, ik ben benieuwd.
Bovenstaande tabel laat de samenhang tussen de drie mooi zien:
Een groot diafragma (f/2.8 bijvoorbeeld) gaat goed samen met een korte sluitertijd bij een fatsoenlijke ISO waarde. Wil je een korte sluitertijd bij een kleiner diafragma (groter getal) dan moet de ISO omhoog.
Deze instellingen leveren wel andere resultaten, de belichting is alleen gelijk. Het spreekt vanzelf dat bij een andere diafragma de scherptediepte anders wordt en bij een andere sluitertijd ontstaat er misschien bewegingsonscherpte. Tenslotte kun je bij een hogere ISO waarde meer ruis verwachten. Maar de belichting is in alle gevallen gelijk en er zijn nog veel meer waarden mogelijk. Als je bedenkt dat een andere situatie ook om een andere belichting vraagt, en dat de hoeveelheid licht vaak niet constant is (wolkje voor de zon, zon en schaduw wisselen af, enzovoort), dan zal duidelijk zijn dat bovenstaande ontzettend belangrijk is. Dit moet je als fotograaf minimaal onder de knie hebben.
Succes en bedankt voor het lezen.
Robert van Brug
Labels:
beginner,
belichting,
diafragma,
iso,
lichtgevoeligheid,
sluitertijd
dinsdag 21 februari 2012
ISO: voor- en nadelen
Fotografie komt neer op het vastleggen van de reflectie van licht dat op het onderwerp valt. Door de sluitertijd en het diafragma te controleren is er controle over de hoeveelheid licht die op de sensor valt.
Er is echter nog een derde factor, de ISO waarde. In de tijd van de filmrolletjes kon een fotograaf een rolletje gebruiken dat lichtgevoeliger was. Hiermee is het mogelijk om bij dezelfde instellingen v.w.b. diafragma en sluitertijd een lichtere foto te krijgen. De lichtgevoeligheid van de rolletjes werd meestal in ASA uitgedrukt, soms in DIN. ASA is gelijk aan ISO en die laatste term is nu de standaard (!).
Bij filmrolletjes met een hogere ISO bestond het lichtgevoelige materiaal uit iets grovere korreltjes. Dit was in het eindresultaat ook zichtbaar, zeker bij hoge ISO waarden: het is wat korreliger.
Bij de huidige digitale camera's werkt het anders. De beeldsensor vangt het beeld dat de lens doorlaat. Dit beeld wordt opgeslagen op een geheugenkaart, maar als tussenstap kan de camera het beeld nog bewerken. Eén van de bewerkingen is het veranderen van de lichtgevoeligheid van de sensor door het signaal elektronisch te versterken. Bij Nikon is de standaardwaarde (de "native ISO") voor ISO 200. Wordt een hogere waarde ingesteld dan wordt het waargenomen beeld lichter gemaakt, wordt een lagere waarde ingesteld, dan wordt het beeld donkerder gemaakt.
In het analoge tijdperk had een fotograaf die bijvoorbeeld in een kerk een trouwerij wilde vastleggen een rolletje met hoge ISO nodig. Voor de rapportage buiten echter was dit niet nodig. Dus rolletje deels niet gebruiken, nieuw rolletje met lage ISO erin of twee camera's gebruiken. Een groot voordeel van de digitale camera's is dat er per foto ingesteld kan worden wat de ISO moet zijn.
Net als sluitertijd is de ISO waarde makkelijk te doorgronden. ISO 200 is twee keer zo lichtgevoelig als ISO 100. ISO 1600 is 16 keer lichtgevoeliger dan ISO 100. Rechttoe rechtaan logica.
De toepassing zal duidelijk zijn. Neem Indoor Sportfotografie: snel bewegend beeld, weinig licht. Zelfs met het diafragma wagenwijd open en de sluitertijd op snel (1/1000e seconde of nog sneller) moet de ISO instelling fors omhoog om geen hele donkere foto te krijgen. ISO 1600 of nog hoger is nodig. Maar dat zit bijna standaard op alle huidige camera's dus er lijkt geen vuiltje aan de lucht.
Helaas. Hoge ISO heeft een groot nadeel. Bij het elektronisch versterken van het beeld wordt ook de ruis die in iedere opname zit meeversterkt en dat zie je. En hoe hoger de ISO hoe groter dit effect wordt. Vergelijk de volgende 7 opnamen van een rij stripboeken, met steeds hogere ISO. Ter informatie heb ik er ook bijgezet wat de sluitertijd was.
Er zit aan de rechterzijde van deze samengestelde foto veel minder detail en veel meer ruis dan in het linkerdeel. Met name in het bovenste deel, boven de boeken en in de schaduw van de boekenplank erboven is het goed zichtbaar. Het is typerend voor donkere delen dat daar de meeste ruis ontstaat.
Concreet: als ISO 1600 of nog hoger nodig is om in onder lastige omstandigheden een niet bewogen opname te maken, dan moet de extra ruis voor lief genomen worden.
Standaard stelt de camera de ISO zelf in (Auto ISO). Dat betekent dat de camera bepaalt wat een goede ISO waarde is. Het toestel zal proberen een gemiddeld belichte foto te maken van iedere opname die gemaakt wordt. Soms zal hierdoor de camera extreem hoge ISO waarden instellen. Beter is natuurlijk om hier zelf de controle over te houden. Dit kan op verschillende manieren. Er zijn standaard de volgende mogelijkheden:
Er is echter nog een derde factor, de ISO waarde. In de tijd van de filmrolletjes kon een fotograaf een rolletje gebruiken dat lichtgevoeliger was. Hiermee is het mogelijk om bij dezelfde instellingen v.w.b. diafragma en sluitertijd een lichtere foto te krijgen. De lichtgevoeligheid van de rolletjes werd meestal in ASA uitgedrukt, soms in DIN. ASA is gelijk aan ISO en die laatste term is nu de standaard (!).
Bij filmrolletjes met een hogere ISO bestond het lichtgevoelige materiaal uit iets grovere korreltjes. Dit was in het eindresultaat ook zichtbaar, zeker bij hoge ISO waarden: het is wat korreliger.
Bij de huidige digitale camera's werkt het anders. De beeldsensor vangt het beeld dat de lens doorlaat. Dit beeld wordt opgeslagen op een geheugenkaart, maar als tussenstap kan de camera het beeld nog bewerken. Eén van de bewerkingen is het veranderen van de lichtgevoeligheid van de sensor door het signaal elektronisch te versterken. Bij Nikon is de standaardwaarde (de "native ISO") voor ISO 200. Wordt een hogere waarde ingesteld dan wordt het waargenomen beeld lichter gemaakt, wordt een lagere waarde ingesteld, dan wordt het beeld donkerder gemaakt.
In het analoge tijdperk had een fotograaf die bijvoorbeeld in een kerk een trouwerij wilde vastleggen een rolletje met hoge ISO nodig. Voor de rapportage buiten echter was dit niet nodig. Dus rolletje deels niet gebruiken, nieuw rolletje met lage ISO erin of twee camera's gebruiken. Een groot voordeel van de digitale camera's is dat er per foto ingesteld kan worden wat de ISO moet zijn.
Net als sluitertijd is de ISO waarde makkelijk te doorgronden. ISO 200 is twee keer zo lichtgevoelig als ISO 100. ISO 1600 is 16 keer lichtgevoeliger dan ISO 100. Rechttoe rechtaan logica.
De toepassing zal duidelijk zijn. Neem Indoor Sportfotografie: snel bewegend beeld, weinig licht. Zelfs met het diafragma wagenwijd open en de sluitertijd op snel (1/1000e seconde of nog sneller) moet de ISO instelling fors omhoog om geen hele donkere foto te krijgen. ISO 1600 of nog hoger is nodig. Maar dat zit bijna standaard op alle huidige camera's dus er lijkt geen vuiltje aan de lucht.
Helaas. Hoge ISO heeft een groot nadeel. Bij het elektronisch versterken van het beeld wordt ook de ruis die in iedere opname zit meeversterkt en dat zie je. En hoe hoger de ISO hoe groter dit effect wordt. Vergelijk de volgende 7 opnamen van een rij stripboeken, met steeds hogere ISO. Ter informatie heb ik er ook bijgezet wat de sluitertijd was.
Deze opnamen zijn gemaakt met een Nikon D300s en 18-200 mm lens, diafragma f/7.1, vanaf statief, zelfontspanner gebruikt om alle trillingen uit te sluiten.
Er zit aan de rechterzijde van deze samengestelde foto veel minder detail en veel meer ruis dan in het linkerdeel. Met name in het bovenste deel, boven de boeken en in de schaduw van de boekenplank erboven is het goed zichtbaar. Het is typerend voor donkere delen dat daar de meeste ruis ontstaat.
TIP 1: gebruik zo laag mogelijke ISO waarde
TIP 2: liever meer ruis dan een bewogen/mislukte opname.
Concreet: als ISO 1600 of nog hoger nodig is om in onder lastige omstandigheden een niet bewogen opname te maken, dan moet de extra ruis voor lief genomen worden.
Standaard stelt de camera de ISO zelf in (Auto ISO). Dat betekent dat de camera bepaalt wat een goede ISO waarde is. Het toestel zal proberen een gemiddeld belichte foto te maken van iedere opname die gemaakt wordt. Soms zal hierdoor de camera extreem hoge ISO waarden instellen. Beter is natuurlijk om hier zelf de controle over te houden. Dit kan op verschillende manieren. Er zijn standaard de volgende mogelijkheden:
- Volledig automatische ISO, de camera bepaalt alles zelf.
- Volledig handmatig. Wordt bijvoorbeeld een ISO van 200 ingesteld (lekker weinig ruis) dan zullen alle foto's met deze instelling gemaakt worden totdat het gewijzigd wordt. Dit kan eenvoudig per foto, er zit een ISO knop op het toestel, maar dan moet daar wel aan gedacht worden.
- Halfautomatisch. Het is mogelijk om automatische ISO in te stellen en tegelijk een maximum aan te geven. Ik heb dit in het begin een tijdje gebruikt maar ben toch overgestapt op de volledig handmatige optie voor meer controle. Welke waarde nog acceptabel is hangt helemaal van de camera af, maak zelf ook een keer een serie proeffoto's met alle mogelijke ISO-waarden en zorg ervoor dat er een donker deel (schaduw is ideaal) in de foto zit.
Zelfs hele eenvoudige compactcamera's hebben vaak dezelfde opties m.b.t. ISO.
TIP 3: probeer voor de eigen camera uit wat het effect is van hogere ISO instellingen.
TIP 4: gebruik nooit de volautomatische ISO instelling.
Dure spiegelreflex systemen beschikken vaak over Beeldstabilisatie. Compactcamera's hebben dit niet, maar vanuit marketingoogpunt wordt er geschermd met dingen als eVR: een elektronische variant. Dat is niet meer dan het automatisch verhogen van de ISO zodat de sluitertijd kort blijft en de opname niet bewogen wordt. Als je nergens over na wilt denken, niets wilt instellen en klik-klak-klaar wilt dan is dat prima. Wil je echter beter dan gemiddelde foto's maken, gebruik het dan niet.
Er is een groot verschil tussen de verschillende camera's op het gebied van ISO. Hoe duurder de camera hoe beter hij met hogere ISO waarden zal omgaan. Hoe groot dat verschil is en hoe dat komt is voor een volgende keer.
Bedankt weer voor het lezen.
Robert van Brug
Labels:
auto ISO,
beeldstabilisatie,
belichting,
gevorderde,
hoge ISO,
iso
maandag 28 november 2011
Diafragma en sluitertijd
Vandaag de absolute basis van de fotografie: diafragma en sluitertijd. Essentieel om te weten voor iedere fotograaf.
Om goed te begrijpen wat een camera doet, eerst de theorie. Een camera vangt met de lens licht dat binnenkomt op de beeldsensor en vertaalt dit in een digitaal beeld. In een lens zit een diafragma, niets anders dan een opening die groter en kleiner gemaakt kan worden. Als deze opening groter is valt er meer licht op de sensor en wordt het beeld lichter. Als de sluiter, denk aan luxaflex die voor de beeldsensor zit, langer open is geldt hetzelfde: meer licht op de sensor levert een lichter beeld op.
De grootte van de opening van het diafragma noemen we verwarrend genoeg: diafragma. Hoe tijdsduur dat de sluiter openstaat heet sluitertijd en wordt uitgedrukt in seconden.
Nu lijkt het dat je twee middelen hebt om een beeld lichter of donkerder te maken, maar dat is niet zo: diafragma en sluitertijd hebben een verschillende functie, dat is voor een andere keer, maar eenvoudig gezegd moet de camera de sluiter snel genoeg sluiten om het beeld te bevriezen, anders treedt er bewegingsonscherpte op en dat is meestal ongewenst. Een gebouw kan met een lange sluitertijd prima vastgelegd worden, maar de auto's die ervoor langsrijden zullen dan bewogen zijn.
De hoeveelheid licht die wordt doorgelaten wordt uitgedrukt in stops. Een stop meer licht wil zeggen: twee keer zoveel licht wordt doorgelaten. Een stop minder is half zoveel licht.
Eerst sluitertijd:
Met een sluitertijd van 1/100e seconde wordt tweemaal zoveel licht doorgelaten als bij 1/200e seconde want de sluiter staat tweemaal zolang open. Simpel, toch?
Welke sluitertijd je moet kiezen hangt van een paar dingen af. Allereerst je onderwerp: het stilstaande gebouw of een langsrazende auto leveren heel andere waarden op. Maar er is ook nog zoiets als bewegingsonscherpte door de fotograaf. Tenzij je de camera op een statief zet zal deze in je hand altijd trillen. Bij een lange lens (grote zoomlens of telelens) heb je hier meer last van. Vuistregel: de sluitertijd moet gelijk zijn aan 1 gedeeld door de brandpuntsafstand. Bij een 50 mm-lens moet je dus 1/50e seconde kiezen of sneller. Bij een 300 mm lens al 1/300e seconde. Dan heb je dus ook meer licht nodig om dat te compenseren!
Nu diafragma.
Diafragma is moeilijker. Dit heeft te maken met de berekening van de grootte van de opening, maar ik zal niet op de achterliggende wiskunde ingaan, laten we het leuk houden. Er is een reeks die een fotograaf moet kennen, en die is:
1 / 1,4 / 2 / 2,8 / 4 / 5,6 / 8 / 11 / 16 / 22 / 32 / enzovoort.
De lichtgevoeligheid van een lens wordt uitgedrukt met het zogenaamde diafragmagetal (f) en dat is vaak een getal uit bovenstaande reeks, bijvoorbeeld f/5.6.
Een lager getal wil zeggen gevoeliger voor licht. Eén stop lager getal is twee keer zo lichtgevoelig, in dit voorbeeld dus f/4 is 2 keer zo lichtgevoelig als f/5.6.
f/2.8 is 2 keer 2 zo lichtgevoelig, dat is dus 4 keer. Dat is verwarrend omdat 5,6/2,8 2 is en niet 4. Het is echter niet anders.
Een lens met een grotere maximale opening = kleiner f-getal noemen we snel. Standaard voor professionele zoomlenzen (70-200 mm bijvoorbeeld) is 2.8. Een dergelijke lens is 4 keer zo snel als een standaard lens (f5.6) die vaak bij camera's geleverd wordt, de zogenaamde kitlens. Hij is ook een stuk duurder, groter en zwaarder. Naast deze nadelen en de snelheid is een dergelijke lens degelijker gemaakt én optisch veel beter: er treedt minder vertekening op.
Het diafragmagetal wat op een lens vermeld staat geeft de grootste opening van het diafragma aan, in mijn voorbeeld f/5.6, maar je kunt het diafragma ook kleiner maken waardoor het bijvoorbeeld f/8 wordt ook al kan de lens f/5.6 aan. Voor de volledigheid: andere diafragmagetallen zijn ook mogelijk, bijvoorbeeld 1,8 / 3,3 / 4,8 / 6,7 / 7,1 / 9,5 / 13 / 19. Ik noem ze omdat op veel spiegelreflexcamera's deze waarden ingesteld kunnen worden, maar onthoudt ze niet alsjeblieft, onthoudt alleen de reeks hiervoor, die is belangrijk.
Tijd voor wat rekenwerk om er gevoel bij te krijgen: stel, ik maak een opname bij f/8 en 1/100e seconde. Ik bekijk het resultaat achterop mijn camera en het is niet goed: er zit duidelijk bewegingsonscherpte in. Ik besluit te proberen de sluitertijd te halveren, naar 1/200e. Welk diafragma moet ik dan kiezen om dezelfde hoeveelheid licht door te laten? Precies: f5,6.
Ga ik in dit voorbeeld naar 1/400e seconde omdat het beeld bewogen blijft, dan moet het diafragma naar f/4. Stel dat bij deze waarden (f/4 en 1/400e) het beeld mooi bevroren is, maar het beeld oogt nog wat donker, dan kun je dus niet de sluitertijd verlagen, maar wel het diafragma verder vergroten zodat deze meer licht gaat doorlaten, je zou op f3.3 bij 1/400e uit kunnen komen.
Nu hoor ik sommigen al zeggen: "Ik snap het wel, maar ik stel dat helemaal niet in, dat doet de camera zelf en dat gaat prima!" Dat begrijp ik. Bij 99% van alle compactcamera's kun je dit ook helemaal niet instellen en het gaat meestal goed, gelukkig maar. Bij spiegelreflexcamera's kun je ook op de auto-stand foto's nemen, maar zo'n camera biedt veel meer mogelijkheden. Dan heb ik het met name over de P, S, A en M-stand (bij Nikon, of P, Tv, Av, M bij Canon).
Ik heb het nadrukkelijk niet over een instelling voor macro, portret, landschap, sport, vuurwerk, onderwater, enzovoort. Geen enkele professional gebruikt die en de meeste ervaren amateurs ook niet. Zelf maak ik alle foto's met de P, S, A of M-stand. Geen uitzonderingen. Waarom? Omdat het betere foto's oplevert! En zo moeilijk is het nou ook weer niet, maar je moet je er wel een beetje in verdiepen. Hopelijk helpt dit blog hierbij ;-)
Tot een volgende keer!
Robert van Brug
Om goed te begrijpen wat een camera doet, eerst de theorie. Een camera vangt met de lens licht dat binnenkomt op de beeldsensor en vertaalt dit in een digitaal beeld. In een lens zit een diafragma, niets anders dan een opening die groter en kleiner gemaakt kan worden. Als deze opening groter is valt er meer licht op de sensor en wordt het beeld lichter. Als de sluiter, denk aan luxaflex die voor de beeldsensor zit, langer open is geldt hetzelfde: meer licht op de sensor levert een lichter beeld op.
De grootte van de opening van het diafragma noemen we verwarrend genoeg: diafragma. Hoe tijdsduur dat de sluiter openstaat heet sluitertijd en wordt uitgedrukt in seconden.
Nu lijkt het dat je twee middelen hebt om een beeld lichter of donkerder te maken, maar dat is niet zo: diafragma en sluitertijd hebben een verschillende functie, dat is voor een andere keer, maar eenvoudig gezegd moet de camera de sluiter snel genoeg sluiten om het beeld te bevriezen, anders treedt er bewegingsonscherpte op en dat is meestal ongewenst. Een gebouw kan met een lange sluitertijd prima vastgelegd worden, maar de auto's die ervoor langsrijden zullen dan bewogen zijn.
De hoeveelheid licht die wordt doorgelaten wordt uitgedrukt in stops. Een stop meer licht wil zeggen: twee keer zoveel licht wordt doorgelaten. Een stop minder is half zoveel licht.
Eerst sluitertijd:
Met een sluitertijd van 1/100e seconde wordt tweemaal zoveel licht doorgelaten als bij 1/200e seconde want de sluiter staat tweemaal zolang open. Simpel, toch?
Welke sluitertijd je moet kiezen hangt van een paar dingen af. Allereerst je onderwerp: het stilstaande gebouw of een langsrazende auto leveren heel andere waarden op. Maar er is ook nog zoiets als bewegingsonscherpte door de fotograaf. Tenzij je de camera op een statief zet zal deze in je hand altijd trillen. Bij een lange lens (grote zoomlens of telelens) heb je hier meer last van. Vuistregel: de sluitertijd moet gelijk zijn aan 1 gedeeld door de brandpuntsafstand. Bij een 50 mm-lens moet je dus 1/50e seconde kiezen of sneller. Bij een 300 mm lens al 1/300e seconde. Dan heb je dus ook meer licht nodig om dat te compenseren!
Nu diafragma.
Diafragma is moeilijker. Dit heeft te maken met de berekening van de grootte van de opening, maar ik zal niet op de achterliggende wiskunde ingaan, laten we het leuk houden. Er is een reeks die een fotograaf moet kennen, en die is:
1 / 1,4 / 2 / 2,8 / 4 / 5,6 / 8 / 11 / 16 / 22 / 32 / enzovoort.
De lichtgevoeligheid van een lens wordt uitgedrukt met het zogenaamde diafragmagetal (f) en dat is vaak een getal uit bovenstaande reeks, bijvoorbeeld f/5.6.
Een lager getal wil zeggen gevoeliger voor licht. Eén stop lager getal is twee keer zo lichtgevoelig, in dit voorbeeld dus f/4 is 2 keer zo lichtgevoelig als f/5.6.
f/2.8 is 2 keer 2 zo lichtgevoelig, dat is dus 4 keer. Dat is verwarrend omdat 5,6/2,8 2 is en niet 4. Het is echter niet anders.
Een lens met een grotere maximale opening = kleiner f-getal noemen we snel. Standaard voor professionele zoomlenzen (70-200 mm bijvoorbeeld) is 2.8. Een dergelijke lens is 4 keer zo snel als een standaard lens (f5.6) die vaak bij camera's geleverd wordt, de zogenaamde kitlens. Hij is ook een stuk duurder, groter en zwaarder. Naast deze nadelen en de snelheid is een dergelijke lens degelijker gemaakt én optisch veel beter: er treedt minder vertekening op.
Tijd voor wat rekenwerk om er gevoel bij te krijgen: stel, ik maak een opname bij f/8 en 1/100e seconde. Ik bekijk het resultaat achterop mijn camera en het is niet goed: er zit duidelijk bewegingsonscherpte in. Ik besluit te proberen de sluitertijd te halveren, naar 1/200e. Welk diafragma moet ik dan kiezen om dezelfde hoeveelheid licht door te laten? Precies: f5,6.
Ga ik in dit voorbeeld naar 1/400e seconde omdat het beeld bewogen blijft, dan moet het diafragma naar f/4. Stel dat bij deze waarden (f/4 en 1/400e) het beeld mooi bevroren is, maar het beeld oogt nog wat donker, dan kun je dus niet de sluitertijd verlagen, maar wel het diafragma verder vergroten zodat deze meer licht gaat doorlaten, je zou op f3.3 bij 1/400e uit kunnen komen.
Nu hoor ik sommigen al zeggen: "Ik snap het wel, maar ik stel dat helemaal niet in, dat doet de camera zelf en dat gaat prima!" Dat begrijp ik. Bij 99% van alle compactcamera's kun je dit ook helemaal niet instellen en het gaat meestal goed, gelukkig maar. Bij spiegelreflexcamera's kun je ook op de auto-stand foto's nemen, maar zo'n camera biedt veel meer mogelijkheden. Dan heb ik het met name over de P, S, A en M-stand (bij Nikon, of P, Tv, Av, M bij Canon).
Ik heb het nadrukkelijk niet over een instelling voor macro, portret, landschap, sport, vuurwerk, onderwater, enzovoort. Geen enkele professional gebruikt die en de meeste ervaren amateurs ook niet. Zelf maak ik alle foto's met de P, S, A of M-stand. Geen uitzonderingen. Waarom? Omdat het betere foto's oplevert! En zo moeilijk is het nou ook weer niet, maar je moet je er wel een beetje in verdiepen. Hopelijk helpt dit blog hierbij ;-)
Tot een volgende keer!
Robert van Brug
Labels:
belichten,
belichting,
diafragma,
fotografie,
gevorderde,
sluitertijd
Abonneren op:
Posts (Atom)










